Het Archief van het Bedrijf D. van Baarsen

Hoofdstuk 1 Daan van Baarsen

Voetnoot 1. Hanny Does – van Baarsen, Koog a/d Zaan beschreef de stamboom van Van Baarsen in  “Loten van de Van Baarsen stam, Het Geslacht Van Baarsen 1677 – 1995”, december 1995. Van dit boek is dankbaar gebruik gemaakt bij het schrijven van dit verhaal.

Voetnoot 2. Vaak werden bij feestelijke gelegenheden in versvorm een aantal anekdotische voorvallen uit het leven van de jubilaris gememoreerd.Toen Daan in 1944 80 jaar werd, spraken twee van zijn kleinkinderen, de oudste zoon van Nico, Daan Nzn., en de oudste dochter van Willem, Tiny Wdr. in de personages van Thomasvaer en Pieternel hem op rijm toe. Meerdere details uit het leven van Daan in dit verhaal zijn aan dit vers ontleend. Zie kopie Vers.

Voetnoot 3. Ets van de kunstenaar P. Husskens, gemaakt als dank aan Bas van Baarsen (geb. 1868) die hem van de verdrinkingsdood heeft gered.

Voetnoot 4. Willem Anton Karel Witlou (1826-1868) was de halfbroer van Hendrika van der Donk. Deze Willem was tevens een goede vriend van Jacob van Baarsen. Margrita Elisabeth Meulenbroek (1804-1882), de moeder van Hendrika, had vóór haar huwelijk met Johannes van der Donk (1801-1866) een relatie met Willem Anton Karel Witlou (1804-?), waaruit deze halfbroer van Hendrika was geboren, die dezelfde naam kreeg als vader Witlou: Willem Anton Karel. Willem Anton Karel Witlou was een afstammeling van William Charles Whitelaw (1729-1817), soldaat te Breda afkomstig uit Perth, Schotland. Bron: Henk Dijkman

Voetnoot 5. “De tjalk is van oudsher een zeilend vrachtschip (platbodem) voor de binnenwateren en is van Friese afkomst. De naam ‘thiallick’ duikt op in een Fries document uit 1673. Vanaf de 17e eeuw werd de naam “tjalk” gebruikt om schepen met een ronde boeg aan te duiden.De tjalk was algemeen en kwam voor in een gebied dat zich uitstrekte van de Oostzee tot Noord Frankrijk en Engeland. Het was zeker in de 18e en 19e eeuw in de Nederlanden het werkpaard en Manus van alles van het transport op het water. Met de grotere exemplaren werd ook kustvaart bedreven. De Groninger tjalk is een type tjalk voor de algemene vaart. Het zijn vrij fors gebouwde schepen, met een flinke holte en een hoge roef. Kenmerkend voor deze tjalk zijn de brede heupplaten in de kop, het eenvoudige weinig versierde uiterlijk, en het hoekige schoorsteentje op de roef. Het schip heeft twee zijzwaarden om tegen de wind te kruisen en niet te verlijeren. Bij elke overstag verandert de richting van het schip ten opzichte van de wind. De wind komt dan van de andere kant in de zeilen. Het zwaard moet dan aan de loefzijde worden binnengehaald en aan de lage kant (lijzijde) worden neergelaten.” Uit: De “Ideaal”, de geschiedenis van een binnen schip, Gep Frederiks, uitgever Ploegsma, Amsterdam.

Voetnoot 6. In 1927 richtte Daan de NV Transportmaatschappij De Kleine Scheepvaart op. Daar bracht hij toen zijn schepen in.

Voetnoot 7. Bestek van ’t stalen tjalkschip voor den Heer Jacob van Baarsen van Amsterdam, handgeschreven. “…stalen tjalk zal gemaakt worden op de werf van Wed. H Groot te Edam, lang 17,55 meter, breed 3,68 en diep 1,41 meter gemeten van ’t vlak tot onder de legwaring waarvan dikte van de huid moet zijn, ’t vlak 5 streep, kimmen 7 streep, voorboegen 6 streep, ’t andere alles 5 streep; de spanten 2×2 duim, 12 duim van elkander, voor ongeveer 6 duim op de midden van de spanten; zwaarden van eikenhout 2 duim dik, 4,25 meter lang en ongeveer 2 meter breed; buitenhelling 1 ½ duims van amerikaansch hout; luiken 5/4 vurenhout; pottekast van duims vurenhout; anker met strijk..(onleesbaar)..ketting; roer van amerikaansch hout; ijzeren helmstok; achteronder voorfront van eikenhout; kasten en kooien van vurenhout; voordek 4,25 meter lang; achterdek en roef, met elkander, 4,25 meter lang, met waterketel.” Op de lijst van vereiste kenmerken is tevens aangegeven hoe de schipper gaat betalen: “Als de stevens staan 200 guldens, als het schip klaar is 400 guldens, of 200 guldens + oude schip en 2.400 guldens in jaarlijkse termijnen van 150 guldens + 5% rente.” In totaal bedraagt de koopsom in dit geval dus 3.200 guldens, plus rente. Uitwerking, Henk Dijkman

Voetnoot 8. Jacob Sr. moet de 2.900 guldens gedurende 20 jaar ieder jaar op 20 mei aflossen (19 maal 150 gulden en 1 maal 50 gulden), de eerste termijn vervalt op 20 mei 1892, de laatste op 20 mei 1911. Zie Akte Scheepsaanbouw, opgesteld ten overstaan van notaris Jan Piccardt, te Hoogezand, 1891, 20-05-01.

Voetnoot 9. In de huwelijksakte van Bas en Maria staat beschreven dat getuige Daan woonachtig is te Amsterdam. Blijkbaar had hij toen al Amsterdam als zijn domicilie gekozen. In het schippersboek van Amsterdam staat inderdaad vermeld dat Daan zich op 8 juni 1892 als burger van Amsterdam, samen met zijn vrouw Catharina en zijn dochter Hendrika Wilhelmina (Rieka) laat inschrijven. Hij komt van Monnickendam. Zijn beroep is schipper. Als adres geeft hij op: A. Brandjes, Spaarndammerstraat 33, Amsterdam. Dat is het adres van Arnoldus Brandjes geboren 16 februari 1861 te Monnickendam, de oudere broer van Catharina. Arnoldus was timmerman. Hij was op 27 augustus 1886 in Monnickendam getrouwd met Maria de Wijs (geb.12 oktober 1859, te Monnickendam). Na hun huwelijk ging het echtpaar in Amsterdam wonen. Maria was al 4 jaar eerder, in 1882, naar Amsterdam verhuisd. Ze werd inwonend dienstbode bij apotheker Theodorus Jacobus van den Bergh in de Langebrugsteeg. In september 1886, direct na hun huwelijk, kwam ook haar kersverse man naar Amsterdam. Ze gingen op de Elandsgracht wonen. Op 25 april 1891 verhuisden ze naar de Spaarndammerstraat 33. Overigens, het bevolkingsregister van 1892-1910 vermeldt dat het gezin Daan van Baarsen woont op het schip de ”Vrouw Catharina”; het opgegeven adres in Amsterdam uit 1892 is gewoon een waladres. Bron: Henk Dijkman

Voetnoot 10. Uit: Levensgeschiedenis van Jaap van Baarsen, door Jaap van Baarsen Jzn., 2013: ….van Jaap werd vaak gezegd: “Hij is zo dwars als een Edammer!

Voetnoot 11. Privé notitie, handgeschreven, W.A.K. van Baarsen, 1984, Amsterdam Noord

Voetnoot 12. Deze aantekening is van Ton van Baarsen Nzn. Ter gelegenheid van een reünie van de kleinkinderen van Daniel van Baarsen en Catharina Brandjes op 19 oktober 2000 te Oudendijk, werd een “Reünie bundel” uitgegeven door Aldert de Haas. Deze tekst is ontleend aan de bijdrage van Ton.

Voetnoot 13. Grietje Krunenberg, “de weduwe Klaas Brandjes”, vertrok op 18 maart 1908 van Monnickendam naar Amsterdam. Daar trok ze in bij haar oudste zoon Adrianus Brandjes. Eén jaar later, op 29 maart 1909 stierf ze, derhalve in Amsterdam, op 80 jarige leeftijd. Mogelijk was zij niet meer in staat om alleen te wonen in haar huis in Monnickendam en was dat de reden dat haar zoon haar in huis nam. Bovendien woonden al haar kinderen elders (Adrianus in Amsterdam, Kaatje aan boord van de “Vrouw Catharina”, Johannes in Zaandam, Maria aan boord van de “Vrouw Maria” en Nicolaas in Muiden). Niemand kon haar dus in haar huisje in Monnickendam verzorgen, aannemende dat dat nodig was. Bron: Henk Dijkman

Voetnoot 14. “Grind- en Zandhandel Daan van Baarsen, Herinneringen aan Buiksloot door W.A.K. van Baarsen (1898 – 1991)“, in Amsterdam aan de overkant van het IJ, deel II, B.P. Fiolet, uitgeverij De Drie Geveltjes, Nieuwendam 1997. “Alle goede dingen in drieën“, artikel in HaFaBo, nummer 3, jaargang 44, maart 1967. “Notitie W.A.K. van Baarsen“, maart 1984, Amsterdam Noord, handgeschreven.

Voetnoot 15. Deze gedachte is niet helemaal onwaarschijnlijk. Immers, Catharina Brandjes kwam oorspronkelijk uit Monnickendam en haar schoonmoeder, Hendrika van der Donk, had nog zeer recent haar beide zonen Bas en Daan de opdracht gegeven op een veiling enkele pandjes in Monnickendam te kopen. Dus daar wónen had wel een mogelijkheid geweest. Zie Proces-verbaal van Veiling, 1913.

Voetnoot 16. Henk Dijkman is hier de speurneus.

Voetnoot 17. 1911 Woningboek Oude Zijds Voorburgwal 13 huis en 2 hoog, 1893-1922; Woningboek Oude Zijds Voorburgwal 9, 1893-1922.

Voetnoot 18. Uit: “In de Ban van Buiksloot”, een prachtige uitgave van Stichting Historisch Centrum Amsterdam Noord, september 2011, pag. 16 en 91.

Voetnoot 19. Deze beschrijving is ontleend aan de bijdrage van Aldert de Haas, samensteller van de “Reünie bundel”, Oudendijk 2000.

Voetnoot 20. We komen hier voor het eerst de naam van Karel Fredrik Hanedoes tegen. Daan zal in de toekomst vaker een beroep doen op deze notaris. Het wordt zijn raadsman. In totaal zijn 57 aktes voor of door toedoen van Daan door deze notaris opgesteld. Zie Repertoria notaris Karel Frederik Hanedoes, Stadsarchief Amsterdam.

Voetnoot 21. Proces-verbaal van Veiling, 21-12-1916, notaris De Koe te Monnickendam. In 1910 hadden Daan en Bas uit naam van hun moeder een paar huisjes met erf gekocht. Zie Acte van Veiling, 08-10-1910. En in 1913 kocht Bas op een veiling een huis aan de Krim of Nieuwezijdsburgwal te Monnickendam voor 1.050 gulden. Zie Proces-verbaal van Veiling, 10-04-1913.

Voetnoot 22. Het koopcontract is gedateerd 20-11-1916. Een maand eerder had de Minister van Waterstaat aan de Gebr. Goedkoop toestemming gegeven tot het aanleggen van een riool in de westelijke dijk van het Noord-Hollands kanaal te Buiksloot, uitmondend in dat kanaal, Beschikking, 10-10-1916.

Voetnoot 23. Van Bas van Baarsen is bekend dat hij (voor de helft?) zijn tjalk verkocht aan de Wed. H. Groot te Edam voor ƒ 2.000 op 28 februari 1916. Zijn zoon Jacobus (Jaap) (geb.1893) neemt de andere helft over, zo blijkt uit de Boedelscheiding en Inventarislijst nalatenschap Bas van Baarsen van 13-02-1924. Jacob blijft nog jaren varen op de “Vrouw Maria”, zeker tot na 1920. Maar dan gaat deze Jacob aan wal en wordt caféhouder in Beverwijk.

Voetnoot 24. Instituut Schoevers was zo vriendelijk te vertalen wat er ongeveer staat geschreven: “Van mijn vrienden en leerlingen. Door mijn boek ontvang ik bijna dagelijks brieven en briefkaarten op papier zonder lijnen geschreven”.

Voetnoot 25. Deze constatering heb ik overgenomen uit Theo Wajer en Boudewijn Huenges Wajer in Jacob Wajer & Co, Aannemers in Medemblik en Amsterdam, 2011, p. 113 e.v.

Voetnoot 26. Later is de administratie overgenomen door mevrouw Van Es – Rabonawitsch. Haar zoon werd later directeur van het Sportfondsenbad Amsterdam Noord. Haar dochter gaf Franse les aan Jo Olijhoek, de latere echtgenote van Daan Jr., de jongste zoon van Daan van Baarsen

Voetnoot 27. Uit het huwelijkscontract blijkt dat Nico op dat moment een renteloze vordering op zijn vader Daan heeft, ter grootte van ƒ 5.000. Hij heeft samen met zijn broer Jaap een dekschuit, groot 35 ton, merk 3636 en hij bezit ⅓ gedeelte van de motorschuit genaamd “Trio” ( de overige ⅔ is in bezit van zijn broers Jaap en Willem), Huwelijkscontract, 15-12-1920.

Voetnoot 28. Deze informatie komt uit “Familieboek, deel I“, Lyda Huissen – Van Baarsen, 23 september 1974.

Voetnoot 29. De oudste zus van Daan, Griet, overleed op 27 februari 1923 op Buiksloot. Waarom op Buiksloot? Werd ze daar verzorgd door de hulp van Bas en Maria of lag de “Vrouw Hendrika” op dat moment aan de Kanaaldijk?

Voetnoot 30. Er is iets raars aan de hand met de spijskaart. Waarschijnlijk heeft de hotellier de naam van de klant niet helemaal goed verstaan. Verder heeft Daan zelf maar getekend voor zijn vrouw. Maar hoe kan hij nu de achternaam van zijn vrouw verkeerd schrijven? De foto’s zijn ontleend aan de gezinsfoto die 10 jaar eerder is gemaakt.

Voetnoot 31. In 1920 ging Jacob Bzn. om gezondheidsredenen aan wal in Beverwijk. Mogelijk dat zijn broer Nico Bzn. de “Maria” toen van hem overnam. Nico Bzn. was in 1917 getrouwd met de 17-jarige Johanna Cornelissen uit Haarlem. In 1927 vernoemde hij zijn schuit naar zijn vrouw: “de Vrouw Johanna”. Later, in 1940 laat hij een nieuw motorschip bouwen dat hij opnieuw “Johanna” noemt. Zijn broer, Willem Anton Karel Bzn., was sinds 1922 in het bezit van de “Engelina Maria” (voorheen de “Vrouw Hendrika” die zijn vader Bas in 1912 kennelijk had overgenomen van zijn moeder), zo genoemd naar de vrouw met wie hij in 1920 in het huwelijk was getreden.

Voetnoot 32. Iedereen ging er altijd van uit dat de NV was opgericht op 12 februari 1927. Maar de oprichtingsakte is van 3 december 1926. Op 12 februari 1927 wordt de akte koninklijk goedgekeurd en volgt publicatie in de Staatscourant.

Voetnoot 33. Het gaat hier om de volgende opsomming

  • de motor vrachtboten
    • de “Lastdrager”, 63 ton,
    • de “St. Antonius”, 42 ton en
    • de “Batavier”, 22 ton
  • de aakschepen
    • de “Vrouw Hendrika”, 57 ton,
    • de “Vrouw Catharina”, 43 ton,
    • de “Vier Gebroeders”, 73 ton,
    • de “Tender”, 22 ton,
    • de “Op Hoop van Zegen”, 38 ton,
    • de “Onrust”, 28 ton en
    • de “Lastdrager II”, 16 ton
  • de zandbakken
    • nr. 5241, 30 ton en
    • nr. 5242, 30 ton.

Voetnoot 34. De advocaten adviseren Daan het erfdeel van Griet in contanten te storten in de NV Grint- en Zandhandel. Daan had namelijk nog een vordering van een ongeveer gelijke grootte als het erfdeel van Henk Honekamp. Bij de oprichting van de NV had Daan die vordering ingebracht in de NV. Zie brief Boelens, Verheijden en De Kort, 1931-04-20.

Voetnoot 35. Godfried Bomans over Borromeus de Greeve: “Ik heb eens gehoord dat de tekst van zijn preken, voor zover die bewaard gebleven is, bitter tegenvalt. Dit is zeer wel mogelijk. Des te groter moet het oratorisch vermogen zijn om daar iets van te maken. Men zat totaal verbijsterd te luisteren. De kerk was eenvoudig verpletterd. Ik herinner me, dat ik na elke nieuwe climax dacht: dit wordt ondraaglijk, we kúnnen eenvoudig niet hoger meer stijgen, help, help, maar telkens vond Borromeus weer een nieuwe voltage en vlak voor alle stoppen doorsloegen maakte hij een klein kruisteken en daalde de preekstoel af”.

Voetnoot 36. De letterlijke tekst in het verslag luidt als volgt:

“Oome Daan. Waar de pelgrims vandaan komen? Wij hebben er een in ons midden, in de vreemde landen waardoor wij stoomden en voerden, geïmporteerd uit Groot Mokum, adres Kromme Waal. Ik wilde Justus van Mourik zijn om deze type juist en scherp te teekenen. Ik zou willen beginnen met een opschrift: EEN JUWEEL VAN EEN MAN!
Een kerel van een paar meter hoog – ongeveer 250 in den ruimsten omtrek (De pater moet met deze beschrijving vooral het karakter van Daan hebben bedoeld. Volgens het militieregister Purmerend MRNHA00302000148, 1882, Daan van Baarsen was zijn feitelijke lengte in 1882 namelijk 1,705, dus erg lang was hij niet, wel hij had een flink postuur. Henk Dijkman) met oogen zoo goedig als een St. Bernardshond en een stem als de wind door de kachelpijp, maar met een hart van het zuiverste goud. Zijn taal is zoo persoonlijk en zijn beeldspraak zoo origineel dat Querido er een boek van kan schrijven: De Kromme Waal. De mensch en de Christen in hem zijn in elkaar gestrengeld, als den Gordiaanschen knoop nooit te ontwarren.
Wij hebben allen genoten – maar ik denk hij ’t meeste. Hij spreekt geen Fransch, Duitsch en Engelsch. Ik heb hem eens Arabisch hooren spreken: Jella! Maar hij spreekt op zijn vingers – en denkt dieper over allerlei profane en religieuze questies dan verschillende studenten aan Hooge scholen.
Je moet onze Oom Daan hooren als hij op zijn praatstoel zit – onder den borrel of als je hem alleen treft op een bank of als hij spontaan hier of daar in een heiligdom zijn eerst opwellende gedachte er uit gooit! Het is de oude schipper – niet in dien zin, dat geen schrik had in den gondel te Venetie, of rustig als een zeehond neerzat in het bootje te Haifa of geen last had van zeeziekte in Napels stormende golf, maar hij is en blijft de oude schipper met de rondborstigheid van den horizon op het water met de open klaarte van de blauwe Middellandsche zee, nog meer – hij is de oude schipper als St. Petrus met zijn spontane heerlijke liefdesverklaringen voor zijn Meester.
Gelukkig, hij is niet meer een arme schipper als St. Petrus en hij heeft met Gods hulp geen visch meer noodig met een staterpenning in den bek – hij heeft goed geboerd, de nijvere schipper – later de slooper – de kooper in de lommerd – maar hij is dan ook verre van karig en niemand heeft getracteerd als Oome Daan en niemand brengt voor de huisgenooten en vrienden souvenirs en cadeautjes mee als Oome Daan voor zijn jongens en meiden. Het ergste was, hij moet van alles 9 stuks hebben en het duurde dan ook niet lang of het kapitaal aan een vertrouwde thesaurier gegeven, was op, zoodat de laatste reserve van het peulschilletje nog stil in eigen zak bewaard, moest worden aangesproken. En toch zal Oome Daan bij ons in herinnering blijven, niet zozeer om zijn prachtuitdrukkingen als “Het is zoo geknipt, zoo moet je het maar aanelkaar naaien”, als de eenvoudige en oprechte verklaring na een bier- en wijnavond: “De kleine jongen moet een plasje doen” – niet zozeer om zijn royale gratificatie aan de priesters, maar vooral omdat Oome Daan ons voorbeeld was in echt vromen zin, met zijn rozenhoedje en zijn tranen op Calvarie en Bethlehem.
Oome Daan, ik wil met je meevaren als bij die angstige tocht naar de blauwe poorten des hemels, wij op den golfslag wachtend van Gods Barmhartigheid, moeten worden binnengeloodst. Oome Daan, daar ga je! Ober,……., Oome Daan betaalt.”

Voetnoot 37. De tekst van het vers uit 1938 luidt:

Maar na vijftig jaren werken
Komt toch eens de dag voor rust
En met zulke vlijtige kinderen
Kan men dat ook gerust
Wanneer dus uit de rij der Directeuren
De Senior plaats maakt voor een zoon
Dan ziet men daar vanaf nu, tezamen staan
Een Broeder-trio: Wim, Nico en Daan
Voor de zaken hoeft U dus niet te vreezen
Ook zij zullen trachten evenals U
Echte van Baarsens te wezen.

Voetnoot 38. Een dispuut met de pastoor van de St. Nicolaas Kerk aan de Prins Hendrikkade over de betaling van drie Missen eindigt met Daan’s besluit dat hij voortaan uit protest op de armenbanken plaats zou nemen in plaats van op zijn vaste plaats.

Voetnoot 39. Voor het huis staan twee leeuwenbeelden afkomstig van de Noordzijde van het viaduct aan de Oostertoegang van het Centraal Station Amsterdam. Bij de uitbreiding van het spoortraject (1922 – 1924) weet Daan twee leeuwenbeelden op de kop te tikken en laat ze naar de werf in Noord vervoeren. De Buiksloot leeuwen maken deel uit van de 22 leeuwenbeelden die links en rechts van het Centraal Station Amsterdam hebben gestaan. In de Nieuwsbrief van het Genootschap Leeuwen Centraal Station van mei 2016 wordt extra aandacht gegeven aan de twee leeuwenbeelden van Buiksloot.

Voetnoot 40. De afkortingz.g.b. is een raadsel. Het zou kunnen staan voor “zand- en grintbedrijf”, maar dat ligt wel erg voor de hand. Zou het niet iets met God te maken kunnen hebben? Daan was een diepgelovig man. “Zo God het behaagt” of iets dergelijks? Dan had de “g” met een hoofdletter moeten zijn. En Daan was er de man niet naar om met zijn geloof te koop te lopen. Raadselachtig dus. Bron: Henk Dijkman

Voetnoot 41. Het familiegraf zal tot 2029 blijven bestaan en als het daarna zou worden verlengd door de familie, nog langer. In het graf liggen begraven: Daan van Baarsen en Catharina Brandjes. Op de steen staat vermeld dat hier ook ligt Margaretha Elisabeth (Griet), geb. 1866. Maar zij ligt in het graf van Hendrika van der Donk. In 1976 is er nog een 3e persoon begraven in het graf van Daan en Ka: “Daniel Henricus Honekamp eerder begraven 12-11-1976 op de Noorderbegraafplaats. Herbegraven op 14-10-1993. Oud 71 jaar.” Deze Daan is de zoon van Griet (geb. 1894). Hij staat niet op de grafsteen, maar ligt er dus wel in. In 1946 ging het grafrecht van Daan over op zijn zoon Willem, dus op de NV Grint- en Zandhandel. In 1993 is dat grafrecht overgedaan aan de familie Honekamp. Overigens lijkt de info van de begraafplaats St. Barbara over de leeftijd van Daan Honekamp niet juist. Hij overleed op 8 november 1976 en was toen 54 jaar (geb. 1922). Maar dat terzijde. Bron: Henk Dijkman