Het Archief van het Bedrijf D. van Baarsen

Daan van Baarsen

Daan van Baarsen (1864 – 1946) was de grondlegger van het bedrijf. Hij startte zijn werkzaamheden als binnenvaartschipper rond 1885. In 1911 ging hij in Amsterdam aan wal en slaagde er in zich te vestigen als handelaar in zand en grint.

Daans moeder was de dochter van een schipper. Zij trouwde met Jacob van Baarsen en die werd van lieverlee zelf ook schipper. Zo groeide Daan op in een schippersfamilie.

Hij was de oudste jongen en ontwikkelde al vroeg een gevoel van verantwoordelijkheid. Hij trad op als toeziend voogd van zijn jongere broers toen zijn vader kwam te overlijden en ontpopte zich al snel tot de centrale figuur in zijn familie. Hij was ondernemend. Hij was koppig, soms stug, misschien ook humeurig, maar zeker ook rechtvaardig en recht op de man af.

Hij werkte als schippersknecht bij zijn vader. Na verloop van enige tijd kocht hij een eigen schuit. Hij nam vrachten aan en verhandelde zijn waar. Hij pakte het werk aan waar het werd aangeboden. Hij voer in de Beemster, in Kennemerland, in Amsterdam en in de directe omgeving. Aanvankelijk met mest en puin, later zand, grint, en basaltstenen. Hij schakelde ook andere schippers/familieleden in en kon daardoor grotere opdrachten aan. Hij werd de alleenvertegenwoordiger in Amsterdam voor Den Breejen van den Bout, een zandleverancier uit Nijmegen.

Eenmaal aan wal zocht hij samenwerking met anderen in de handel in puin, in bestrating, in dijk- en wegenbouw. Hij nam werken aan. In 1916 kocht hij een terrein in Buiksloot voor de overslag van bouwmaterialen en voor de opslag van scheepstuigage en overslagmaterieel. Hij kocht een huis aan de Kromme Waal en stichtte in 1926 de NV Grint- en Zandhandel v/h D. van Baarsen en in 1927 de Transportmaatschappij “De Kleine Scheepvaart”. In 1930 kocht hij een terrein in Halfweg, dat zijn zoon Nico al in gebruik had als opslagplaats voor zijn aannemerij.

Daan leidde zijn bedrijf met straffe hand. Hij had vier zonen en vijf dochters. Uiteindelijk kwamen drie van zijn zonen in zijn bedrijf. In 1938 droeg hij de directie van de zaak aan hen over. Hij overleed in 1946. Op dat moment voeren zo’n 15 vaste schippers voor de zaak en was de onderneming in het bezit van 12 vrachtauto’s. De onderneming had toen een omzet ter grootte van ƒ 1.000.000, een balanstotaal van ƒ 500.000 en een eigen reservekapitaal van ƒ 150.000.